25 maart: De dood van Mozes

Boven op de berg staat Mozes, profeet
en gezant van God.
Zijn ogen zijn onafgewend op het
  beloofde land gericht.

‘U doet Heer, wat u hebt gezegd.
Nooit hebt u nog uw woord gebroken.

Getuchtigd door uw toorn en in de hoek
  gezet,
word ik verlost, gered door uw genade.  

Trouwe Heer, uw trouweloze knecht
weet het maar al te goed: Altijd zijt gij
  rechtvaardig.

 Voltrek vandaag uw vonnis, neem mij
   mee
weg van de aarde, laat me voor altijd
  slapen.

Van zoete druiventrossen in het heilige
  land
geniet alleen hij met onwankelbaar
  geloof.

Geef aan de twijfelaar de bittere drank
en uit zijn mond is niets dan dank te
  horen.

 Op wonderlijke wijze ging u met me om,
mijn bitterheid veranderde in mede-
  dogen.

 Laat mij dwars door de sluier van de
  dood beleven
hoe daar mijn volk verheven opgaat naar
  het feest.

 Terwijl ik afdaal naar uw eeuwige
  verblijven,
zal ik mijn volk de vrijheid tegemoet zien
  gaan.  

U die de zondaar straft en graag vergeeft,
O God, wat heb ik van dit volk gehouden.

Dat ik zijn zorgen op me nam en het
  gemor verdroeg
en heb gezien hoe het gezegend is, dat is
  genoeg.  

Houd me nu vast, de staf glijdt uit mijn
  hand,
getrouwe God, geef mij een graf.’

 

Dietrich Bonhoeffer, september 1944

 

 

Zo’n einde?

Karel. Hij werkte in een chemische fabriek waar ik als vakantiebaantje het trappenhuis schoon moest houden. Betaald maar onbegonnen werk. Terwijl ik nog schrobde denderde de volgende ploeg alweer met modder (en meer) aan de laarzen over mijn noeste poetswerk heen.

Voor het eten in de kantine bad ik altijd even. Dat zag Karel. Hij schoof een stoel bij en zei: ‘zo, dus jij gelooft in God? Nou, dan heb ik wel paar vragen voor jou!’

Te veel, bleek, voor een lunchpauze. Later praatten we in zijn schaars gemeubileerde flatje verder.

Hij had geen gemakkelijk leven gehad. Gepest op school. Strenggelovige ouders die hem niet begrepen. Steukgelopen relaties. Toen kreeg hij ‘vrienden’ die hem aan de drugs hielpen zodat hij nu diep in de schulden zat. Ja, je vrienden zijn je vrienden niet! riep hij getergd toen hij dat vertelde.

Ik ben regelmatig bij hem langs gegaan. Dat deed hem goed. Maar het kon niet voorkomen dat een overdosis uiteindelijk een einde aan zijn korte leven maakte. Ik was diep verdrietig. En mijn jeugdig geloofsoptimisme was diep geschokt. Zo’n heftig leven en dan zo’n einde.

 

Daar moest ik aan denken toen ik Deuteronomium 34 weer las. Mozes. Ook geen makkelijk leven. Geadopteerd kind. Moordenaar. Twijfelaar. Leider tegen wil en dank. Zo vaak klem tussen zijn volk en zijn God. En die God toont hem nu een nieuw land voor zijn mensen. Da’s mooi. Maar Mozes mag er zelf niet binnengaan. Da’s wreed. ‘Ik laat het je nu zien, maar erheen oversteken zul je niet.

Zo stierf Mozes, de dienaar van de Heer.’ Zo’n heftig leven en dan zo’n einde.

 

Dietrich Bonhoeffer heeft geleden onder wat zijn mensen elkaar aandeden. En wat zijn volk andere volken aandeed. Net als Mozes is hij omwille van zijn God hiertegen in verzet gekomen. Ook net als Mozes heeft hij het beloofde land van de nieuwe vrijheid misschien nog wel in de verte gezien, maar hij heeft het niet betreden. Een maand voor het eind van de oorlog is hij vermoord.

Zo stierf Dietrich. Dienaar van de Heer. Zo’n heftig leven en dan zo’n einde.

Jezus stierf volgens Matteüs en Marcus met de wanhoop op de lippen. ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’

Zo stierf Jezus. Dienaar van de Heer. Zo’n heftig leven en dan zo’n einde.

Is je God je God dan niet?

 

De laatste woorden in het gedicht van Bonhoeffer zijn een bede om het minimale.

‘Houd me nu vast, de staf glijdt uit mijn hand. Getrouwe God, geef mij een graf’.

Maar God is onze God wel. Je einde is je einde niet.

Voorbij onze horizon geeft God meer dan een graf. God geeft Pasen.

 

Rein Algera