22 maart: de vriend, gedicht van Corrie Kopmels

‘naast de akker van hun dagelijks brood
laten mensen toch ook
de mooie korenbloem bloeien’

Je plukt de blaadjes van de artisjokken
totdat je op de zachte bodem bent.
Al mijn rokken glijden van me af. I

k hoef me niet meer aan je voor te stellen,
me ook niet druk te maken om een nieuw cv
Jij kent mij al zo lang.

Toch zie ik jou vandaag weer voor het eerst,
bekoorlijk als een korenbloem.

Corrie Kopmels

—————————————————————————————————–

Vriend…  Een van de oudste en rijkste Germaanse woorden.

Vriend, vriënd, vrijend, freuend, vrij…

Vriend… Een centraal thema in de poëzie van Bonhöffer. Dit is het uur van de trouw, schrijft hij in zijn gedicht Geluk en Ongeluk.

Hij verbindt zware woorden aan het beeld van de vriend. Vriendschap, trouw, veiligheid, gekend zijn. Maar ook het beeld van de vrije geest, waartegen je je kunt afzetten, waartegen je mag boksen en waaraan je je kunt scherpen. Dat alles brengt de vriend.

En dan… onverwacht… licht, genade. Een korenbloem. Je hebt er niets voor gedaan. Hemels blauw dwarrelt hij voor je voeten.

 

Aan wie heeft Bonhöffer gedacht bij het woord vriend. Zijn moeder, vriend, broer, geliefde? Een mens met wie hij nog contact heeft vanuit de gevangenis? Of was het abstracter. Een dierbaar beeld meegedragen uit het verleden. Een beeld om te omarmen, om tegen te schoppen en tegen te leunen.

Kan dat… praten tegen en leunen tegen een beeld?

 

Ja, het kan.

Jaren na het overlijden van mijn vader sprak mijn moeder nog steeds met haar Wimpie. Ze sprak over het eten van vandaag, over de zorgen om haar dochter, over de gezellige kerkdienst van vanmiddag, over het geld dat steeds vaker weg raakte, over het zilveren zeefje dat haar zoon had gestolen. In het begin foeterde ze ook vaak op Wimpie, want hij had haar toch maar smerig in de steek gelaten. Later sprak ze over de wereld die steeds verwarrender en onbetrouwbaarder werd. Ze verlangde er naar haar Wimpie weer te zien.

En Wimpie? Wimpie zei niet veel, maar hij luisterde wel! Hîj bleef betrouwbaar.

 

Bonhöffer legt het beeld van de vriend op God. Het krijgt een Goddelijke glans.

In de benardheid van z’n gevangenis vecht hij met die vriend. Klaagt over z’n lot, vraagt om grote daden. Vindt al vechtend en pratend weer even vaste grond in de stilte van de nacht, de bries van de lente… even het blauw van een korenbloem.

 

Ja, het kan, praten en leunen tegen een beeld.

Is dat niet wat we doen als we bidden?

Foeteren, klagen, smeken? In ons hart zoeken naar de weg die een betrouwbare, geliefde vriend ons wijst? En komt u dan onverwacht het hemelse blauw van de korenbloem tegen?

 

Rob van Vliet