12 april: Gebed in grote nood

Gebed in grote nood
Corrie Kopmels

In een doodstille baan
zweven wij ver van onze aarde
samen met een bleke maan.

Bomen, bid voor ons
in deze bange tijden
met honderd handen tegelijk.

Hongerige meeuwen, schreeuw.
Stamel, stenen in de muren.
Smeek, smeltend ijs en bid.

—————————————————————————————————–

Stelt u zich een cel voor. Een brits en een plekje om te werken. Een paar vierkante meter en een raam waardoor wat licht valt. Vierentwintig uur per dag je verblijf. Alleen soms even luchten. Het is ons nauwelijks voor te stellen.

Vandaag staat het gedicht ‘Gebed in grote nood’ centraal. Ik loop denkbeeldig door de cel van Bonhoeffer. Aan de wand hangt een plaat van Alfred Dürers Apocalypse. Het vertegenwoordigt de stijd tussen goed en kwaad, met in het middelpunt de aartsengel Michael, die de engelen aanvoert tegen de draak. (Openbaringen 12:7)

Bonhoeffer richt zich tot de Barmhartige God, die hij zijn leven lang naar vermogen gediend heeft. Hij bidt dat de vrees hem niet in zijn greep krijgt. De plaat van Dürer is een troost; ik blijf bij u en u blijft bij mij, mijn God. De draak zal de overwinning niet gegund worden. Heer, ik wacht op uw redding en op uw rijk.

Het is goed om van Bonhoeffer te leren. Op het moment dat ik dit schrijf waait de vrees voor het corona-virus door ons land en de wereld rond. Het virus is een draak van een ding. Mensen overlijden eraan en de wereld weet zich amper raad. Een ongekende angst die ons in zijn greep dreigt te krijgen. Laten we bidden dat ons dat niet overkomt.

Door mensenhanden zijn er gelukkig tekenen van hoop, genezing, saamhorigheid en steun. We vinden God aan onze zijde. God werkt immers door mensenhanden heen.

Het is Pasen vandaag. Het feest van de opstanding. De verkondiging van de overwinning op de dood. Dat is en blijft de boodschap van de Kerk voor de wereld.

Gezegende Paasdagen.

Jan Brouwer